Laten we beginnen met het onvermijdelijke.
Matteo Bocelli is de zoon van Andrea Bocelli — en dat hoor je. Meteen. Onontkoombaar. De stem, het timbre, de frasering: het voelt alsof iemand de erfenis niet alleen heeft aangenomen, maar ook keurig heeft gekopieerd.
En dan kies je voor Caruso.
Dat is geen nummer, dat is heilig erfgoed. En precies daar wringt het.
Matteo zingt dit technisch uitstekend. Zuiver, beheerst, emotioneel bedoeld. Alles klopt. Maar alles was al een keer gedaan. Door zijn vader. Beter, vrijer, met meer levenservaring in elke noot. Wat hier ontbreekt, is niet kwaliteit, maar noodzaak.
De uitvoering blijft dicht bij het origineel. Te dicht. Er is geen nieuw perspectief, geen herinterpretatie, geen eigen invalshoek. Het is alsof Matteo zegt: kijk, ik kan dit ook. Dat kan hij — maar de vraag blijft: waarom zou je willen?
Zijn stem is mooi, zonder twijfel. Maar schoonheid alleen is niet genoeg om een klassieker opnieuw te laten ademen. Dit klinkt niet als een herontdekking, maar als een erfstuk dat voorzichtig is afgestoft en weer teruggezet.”
Dat is misschien wel het grootste probleem: Matteo Bocelli staat hier niet op eigen benen. Hij staat naast een schaduwdie groter blijft. En zolang hij die niet durft los te laten, blijft dit indrukwekkend — maar ook overbodig.
Eindoordeel
Sterren: ★★★☆☆
Cijfer: 6,6
Prachtig gezongen, maar inhoudelijk redundant.
Hit score: 7,0
Geen opmerkingen:
Een reactie posten