maandag 14 september 2026

Cascadeur – Les temps perdus★★★★½ – 4,5 van de 5 sterren




Cascadeur – Les temps perdus

Nooit van gehoord. En dan ineens die heerlijke Franse synths. Heel, héél in de verte zweeft Air voorbij

Kijk, dit is dus waarom ik iedere dag nieuwe muziek blijf luisteren.

Cascadeur?

Nooit van gehoord.

Of in ieder geval: nooit bewust op mijn muzikale radar terechtgekomen.

Dan druk ik op Les temps perdus en binnen korte tijd denk ik:

hé… dit is lekker.

Frans.

Elektronisch.

Dromerig.

Melancholisch.

En ergens, héél ver achter in mijn hoofd, gaat een klein lampje branden:

Air.

Rustig aan.

Ik zeg niet dat Cascadeur klinkt alsof Nicolas Godin en Jean-Benoît Dunckel stiekem een nieuw nummer hebben uitgebracht onder een andere naam.

Maar er zit iets in die Franse elektronische elegantie waardoor mijn gedachten vanzelf richting Air gaan.

En dat is bij mij natuurlijk geen verkeerde afslag.

Synthesizers die mogen zweven

Wat meteen opvalt aan Les temps perdus is de ruimte in de productie.

De synthesizers worden niet gebruikt om iedere vierkante centimeter van het nummer dicht te metselen. Ze zwevenrondom de zang en zorgen vooral voor kleur.

Dat vind ik sterk.

De synthklanken zijn warm en zacht, met voldoende galm om het geheel bijna filmisch te maken. Daaronder ligt een beheerste ritmische basis. Geen beat die zich naar voren dringt, maar eentje die het nummer rustig laat bewegen.

Daardoor ontstaat iets wat Fransen merkwaardig goed kunnen:

elektronica laten klinken alsof het romantiek is.

Zet dezelfde synthesizer in verkeerde handen en je staat voor je gevoel in een elektronicawinkel.

Hier zie ik ineens avondlicht boven Parijs.

Oneerlijk eigenlijk.

En die stem

Cascadeur is de artiestennaam van de Franse singer-songwriter Alexandre Longo. Zijn muziek beweegt al langer tussen chanson, pop, piano en elektronica.

En juist die combinatie maakt Les temps perdus interessant.

De zang staat niet enorm vooraan in de mix. Stem en instrumentatie lijken eerder in elkaar te schuiven. Daardoor wordt de stem bijna een extra instrument.

Ook hier zit voor mij dat verre Air-gevoel.

Niet in een concrete melodie.

Niet in een baslijn die rechtstreeks van Moon Safari komt.

Het is vooral de esthetiek.

Warm.

Verfijnd.

Een tikje retrofuturistisch.

Alsof de toekomst nog steeds klinkt zoals men zich die in 1998 voorstelde.

Daar heb ik een enorm zwak voor.

Les temps perdus

En dan die Franse taal.

Les temps perdus — de verloren tijden.

Alleen zo'n titel geeft een elektronisch nummer al onmiddellijk meer melancholie.

In het Nederlands zou De Verloren Tijden waarschijnlijk klinken als een dramaserie op zondagavond.

In het Frans wil ik meteen een synthesizer kopen en filosofisch uit het raam kijken.

Maar zonder gekheid: die melancholische sfeer zit ook daadwerkelijk in de muziek.

De akkoorden voelen warm, maar nooit echt uitbundig. De melodie beweegt beheerst en de elektronica geeft het nummer een bijna nostalgische gloed.

Het kijkt achterom zonder volledig retro te worden.

En dat vind ik misschien wel het mooiste eraan.

Air? Ja, maar heel ver weg

Ik wil die vergelijking wel precies houden.

Want Les temps perdus is geen Air-kopie.

Daarvoor heeft Cascadeur een duidelijk andere achtergrond. Bij hem hoor ik meer chanson en singer-songwriter, terwijl Air vaak nog sterker vanuit elektronica en instrumentale klankwerelden vertrekt.

Maar in de verte?

Absoluut.

Dat zachte.

Die warme analoog aandoende synths.

Het filmische.

De Franse melancholie.

Dat vermogen om elektronica bijna menselijk te laten ademen.

Daar ontmoeten ze elkaar voor mij.

En vervolgens gaat Cascadeur gewoon zijn eigen weg.

De Alternatieve Muziekman zegt

Dit zijn de leukste ontdekkingen.

Geen verwachtingen.

Geen grote naam waarvan ik vooraf al weet wat ik ongeveer ga krijgen.

Gewoon op play drukken en denken:

waar komt dit ineens vandaan?

Les temps perdus is geen nummer dat me bij mijn lurven grijpt zoals Bleach Lab met Falling deed. Het werkt subtieler.

Het kruipt langzaam naar binnen.

En bij iedere luisterbeurt hoor ik weer een klein synthesizergeluidje, een detail in de productie of een verandering in de zang die ik eerder had gemist.

Dus ja:

Cascadeur.

Die naam ga ik onthouden.

Nooit van gehoord.

Nu wil ik meer horen.

Dat is precies hoe het hoort.

★★★★½ – 4,5 van de 5 sterren

Cijfer: 8,9/10

Synthesizers: ⭐⭐⭐⭐⭐
Franse sfeer: 🇫🇷🇫🇷🇫🇷🇫🇷🇫🇷
Melancholie: ⭐⭐⭐⭐½
Productie: ⭐⭐⭐⭐½
Ruimtelijkheid: ⭐⭐⭐⭐⭐
Stem: ⭐⭐⭐⭐☆
Air-factor: ⭐⭐⭐½☆ — heel ver in de verte
Originaliteit: ⭐⭐⭐⭐☆
Herluisterwaarde: ⭐⭐⭐⭐½
Hitpotentie: ⭐⭐⭐½☆
INDIE TOP 20-potentie: 🔴🔴🔴🔴½

Cascadeur kende ik niet. Les temps perdus wel — inmiddels meerdere keren. Heerlijke Franse synthpop met melancholie, ruimte en ergens kilometers verderop een klein beetje Air. Soms hoef je de weg niet te kennen om precies goed uit te komen.

https://youtu.be/4MoeF6kv0s8?si=WbPK3PqQImbY4S4y

Django Django – Dirty Hotel Blues★★★★☆ – 4 van de 5 sterren




Django Django – Dirty Hotel Blues

Heerlijke titel, heerlijke Django Django-sound. En eigenlijk gebeurt er opvallend weinig — precies daarom werkt het

Dirty Hotel Blues.

Alleen voor die titel krijgen Django Django van mij al een halve punt cadeau.

Je ziet het bijna voor je: een hotelkamer waarvan het tapijt betere tijden heeft gekend, een tl-buis die al drie dagen twijfelt of hij ermee zal stoppen en beneden een receptionist die sinds 1987 niet meer werkelijk geïnteresseerd is in gasten.

En dan verwacht je misschien een smerige blues.

Nou, vergeet het maar.

Want Dirty Hotel Blues is eigenlijk een opvallend rustig en normaal nummer.

Voor zover het woord normaal überhaupt bij Django Django past.

Geen muzikale goocheltruc nodig

Wat mij meteen opvalt, is dat de band hier niet probeert om iedere twintig seconden een nieuw idee uit de kast te trekken.

Django Django kan behoorlijk speels zijn. Ritmes, psychedelica, elektronica, vreemde effecten en harmonieën worden bij hen soms zo enthousiast door elkaar gegooid dat je na afloop even moet controleren of je koptelefoon nog recht staat.

Hier niet.

Dirty Hotel Blues heeft een ontspannen tempo en blijft grotendeels trouw aan één sfeer.

De ritmesectie houdt het nummer rustig in beweging. Daarboven liggen die typische, licht psychedelische gitaar- en synthesizerklanken. De zang is beheerst en wordt mooi onderdeel van het arrangement in plaats van er nadrukkelijk bovenuit te willen springen.

Eigenlijk kabbelt het.

Maar ik bedoel dat positief.

Want kabbelen wordt pas een probleem wanneer er niets onder het water gebeurt.

Hier gebeurt genoeg.

Die typische Django Django-sound

Vooral de combinatie van ritme en elektronica maakt onmiddellijk duidelijk wie er speelt.

De productie heeft iets droogs en tegelijkertijd ruimtelijks. Kleine elektronische details komen en gaan, terwijl de groove bijna nonchalant blijft doorlopen.

En dan zijn er natuurlijk die harmonieën.

Dat is een belangrijk onderdeel van de Django Django-handtekening: stemmen worden niet alleen gebruikt om een melodie te zingen, maar ook om een extra textuur aan de muziek toe te voegen.

Daardoor kan een relatief eenvoudig nummer toch rijk klinken.

Geen enorme climax.

Geen gitaarsolo van zeven minuten.

Geen synthesizer die halverwege besluit dat hij voortaan een straaljager wil zijn.

Gewoon een liedje.

En weet je?

Dat is soms heerlijk.

Misschien juist sterk omdat het rustig blijft

Na een paar luisterbeurten merk ik dat ik vooral waardeer wat Django Django niet doet.

Ze hadden Dirty Hotel Blues gemakkelijk voller kunnen produceren.

Meer beats.

Meer elektronica.

Meer psychedelische gekte.

Maar het nummer krijgt ruimte.

Dat maakt het bijna hypnotiserend.

De groove hoeft nergens naartoe te rennen en de melodie mag rustig zijn werk doen. Daardoor is dit misschien geen Django Django-single waarbij ik na tien seconden roep:

STOP DE PERSEN!

Maar wel eentje die ik zonder problemen drie keer achter elkaar kan horen.

En dat is uiteindelijk minstens zo belangrijk.

De Alternatieve Muziekman zegt

Dirty Hotel Blues heeft een geweldige titel en is muzikaal eigenlijk verrassend bescheiden.

Geen grote vernieuwing.

Geen revolutie.

Zelfs geen moment waarop ik denk dat Django Django zichzelf opnieuw heeft uitgevonden.

Hoeft ook niet.

Soms wil ik gewoon horen waarom ik een band goed vind.

En hier krijg ik precies dat.

Een fijne groove.

Subtiele elektronica.

Psychedelische randjes.

Goede samenzang.

En die onmiskenbare Django Django-sfeer.

Misschien is Dirty Hotel Blues zelfs wel het muzikale equivalent van in dat vieze hotel tóch een verrassend goed bed aantreffen.

De kamer is vreemd.

Het behang twijfelachtig.

Maar ik blijf nog een nacht.

★★★★☆ – 4 van de 5 sterren

Cijfer: 8,5/10

Titel: ⭐⭐⭐⭐⭐
Django Django-factor: ⭐⭐⭐⭐⭐
Groove: ⭐⭐⭐⭐½
Synthesizers: ⭐⭐⭐⭐☆
Samenzang: ⭐⭐⭐⭐½
Psychedelische sfeer: ⭐⭐⭐⭐☆
Verrassing: ⭐⭐⭐½☆
Herluisterwaarde: ⭐⭐⭐⭐½
Hitpotentie: ⭐⭐⭐½☆
INDIE TOP 20-potentie: 🔴🔴🔴🔴⚪

Dirty Hotel Blues klinkt alsof Django Django een keer heeft besloten niet de hele hotelkamer te verbouwen. Ze zetten alleen een stoel bij het raam, dimmen het licht en beginnen te spelen. Rustig, vertrouwd en heerlijk Django Django. Soms is normaal al vreemd genoeg.

https://youtu.be/dD4PVpIjSh8?si=W9bFpWqMBXESk4E7

zondag 13 september 2026

Raul Ojamaa & NOËP – We Get Lost★★★★½ – 4,5 van de 5 sterren





Raul Ojamaa & NOËP – We Get Lost

Verdwalen in Estland — en ineens hoor ik iets van Wasia Project. Dromerig, elektronisch en vooral heerlijk subtiel

Soms hoor ik een nummer en begint mijn hoofd onmiddellijk artiesten uit mijn muzikale archief te trekken.

Bij We Get Lost van Raul Ojamaa & NOËP gebeurt dat ook.

Eerst denk ik:

M83?

Een beetje.

Dan hoor ik die zachte elektronica, de ruimte in de productie en de bijna zwevende zang.

En ineens valt het kwartje:

Wasia Project.

Vooral het Wasia Project-gevoel van rond 2025. Niet omdat We Get Lost een kopie is, maar omdat het dezelfde kunst beheerst: moderne elektronica gebruiken zonder dat de menselijke kwetsbaarheid uit het nummer verdwijnt.

En daar ben ik behoorlijk gevoelig voor.

De beat duwt niet

Wat We Get Lost vooral goed doet, is ruimte laten.

Er is een duidelijke elektronische puls, maar de beat probeert nergens het nummer te gijzelen. Geen enorme EDM-drop waarbij na anderhalve minuut verplicht alle handen de lucht in moeten.

Gelukkig.

De ritmesectie beweegt onder de zang en de synthesizers worden vooral gebruikt om textuur te creëren. Sommige klanken staan dichtbij, andere lijken juist kilometers verderop te zweven.

Daardoor ontstaat diepte.

En juist daar hoor ik voor mij die verwantschap met Wasia Project.

Niet noodzakelijk in de melodie, maar in de manier waarop een arrangement kan ademen.

Er hoeft niet iedere vier seconden iets te gebeuren.

Soms mag een klank gewoon blijven hangen.

M83 aan de horizon

En dan blijft ook M83 ergens in de verte aanwezig.

Vooral in het filmische karakter.

We Get Lost roept beelden op zonder dat het nummer overdreven cinematografisch probeert te doen. Het heeft iets van een autorit in het donker: straatverlichting die voorbijschuift, regen op het raam en geen enkele behoefte om snel thuis te komen.

De zang helpt daarbij.

Die wordt niet boven op de productie gezet, maar zit er bijna ín. Daardoor vormen stem en elektronica één geheel.

Dat vind ik sterk.

Want slechte elektronische pop klinkt soms alsof eerst een beat is gemaakt en iemand drie weken later heeft bedacht:

o ja, we hebben nog een zanger nodig.

Hier voelt alles onderdeel van dezelfde sfeer.

Maar is het al helemaal eigen?

Daar zit mijn enige twijfel.

Ik hoor M83.

Ik hoor iets van Wasia Project.

Ik hoor die moderne Noord-Europese elektronische melancholie.

Maar hoor ik al iets waarvan ik onmiddellijk kan zeggen:

dit kan uitsluitend Raul Ojamaa & NOËP zijn?

Nog niet helemaal.

Daarvoor mag er van mij misschien één vreemd element bij.

Een onverwachte synth.

Een ritmische breuk.

Een instrument dat ineens tegen de rest van de productie ingaat.

Iets meer wrijving.

Maar dat is kritiek op een behoorlijk hoog niveau.

Want ondertussen heb ik We Get Lost alweer opnieuw aangezet.

En uiteindelijk is dát belangrijker.

De Alternatieve Muziekman zegt

We Get Lost is precies het soort elektronische muziek waar ik van houd.

Niet bombastisch.

Niet dichtgeproduceerd.

Niet wanhopig op zoek naar een hitrefrein.

Gewoon sfeervol, subtiel en melancholisch.

M83 geeft mij het filmische gevoel.

Wasia Project geeft mij de associatie met kwetsbaarheid en ruimte.

En Raul Ojamaa & NOËP zetten daar hun eigen elektronische landschap tussen.

Misschien moet ik nog iets langer zoeken naar hun volledig eigen handtekening.

Maar de titel zegt het eigenlijk al.

We Get Lost.

Nou, vooruit.

Ik verdwaal graag even mee.

★★★★½ – 4,5 van de 5 sterren

Cijfer: 9,0/10

Elektronica: ⭐⭐⭐⭐½
Synthesizers: ⭐⭐⭐⭐⭐
Sfeer: ⭐⭐⭐⭐⭐
Productie: ⭐⭐⭐⭐½
Melancholie: ⭐⭐⭐⭐½
Wasia Project-factor: ⭐⭐⭐⭐☆
M83-factor: ⭐⭐⭐⭐☆
Eigen smoel: ⭐⭐⭐½☆
Herluisterwaarde: ⭐⭐⭐⭐⭐
Hitpotentie: ⭐⭐⭐⭐☆
INDIE TOP 20-potentie: 🔴🔴🔴🔴½

We Get Lost laat horen dat elektronische muziek niet harder hoeft te worden om je mee te krijgen. Soms zijn een subtiele beat, een paar zwevende synths en voldoende lege ruimte genoeg. M83 aan de horizon, een vleugje Wasia Project in mijn hoofd — en voor ik het weet ben ik inderdaad de weg kwijt. Heerlijk.

://youtu.be/FRHw6NJqzCI?si=jWIH618B9XIfZL4v

The Kowloons – Butterflies★★★★½ – 4,5 van de 5 sterren



The Kowloons – Butterflies

Ja hoor: Britse indie. Dan sta je bij mij natuurlijk al met 1-0 voor. Maar ‘Butterflies’ bewijst gelukkig dat er méér is dan alleen mijn zwak voor UK-gitaren

Sommige woorden in een persbericht werken bij mij ongeveer hetzelfde als een rode knop waarop staat:

NIET INDRUKKEN.

UK indie band.

Dan druk ik dus.

The Kowloons – Butterflies.

En binnen korte tijd weet ik alweer waarom ik zo'n zwak heb voor Britse gitaarbands. Geen overdreven productie, geen twintig lagen elektronica om een middelmatige melodie te verstoppen, maar gitaren, ritme en vooral dat typische gevoel van een band die gewoon samen in een ruimte muziek staat te maken.

Butterflies wordt door The Kowloons zelf aangekondigd als “the first single from our new era”.

Nou heren:

laat die nieuwe era maar komen.

Want dit smaakt naar meer.

Die gitaren dus

Wat mij vooral aanspreekt, is de manier waarop de gitaren het nummer vooruit trekken.

Ze staan niet als een enorme muur in de mix. Er zit juist lucht tussen de gitaarpartijen, waardoor de melodische lijnen goed hoorbaar blijven.

De gitaar geeft Butterflies tegelijkertijd iets lichts en iets nerveus.

En dat past natuurlijk uitstekend bij die titel.

Vlinders.

Beweging.

Dat onrustige gevoel in je buik.

De ritmesectie helpt daar goed bij. De drums houden het nummer strak en voortstuwend zonder er een lompe rocker van te maken. De bas zit er mooi onder en geeft voldoende gewicht aan een nummer dat anders misschien iets té luchtig zou worden.

Dat is goede indie.

Bewegen zonder duwen.

Brits, maar niet uit het museum

Natuurlijk hoor ik allerlei Britse voorgangers.

Dat gebeurt automatisch.

Een beetje The Vaccines in de directe energie. Iets van Two Door Cinema Club in de lichtvoetigheid. Hier en daar hoor ik zelfs iets van de melodieuze kant van Bloc Party.

Maar gelukkig klinkt Butterflies niet alsof The Kowloons in 2008 een repetitieruimte zijn binnengelopen en daar zestien jaar opgesloten hebben gezeten.

De productie is helder en modern.

De zang ligt mooi in de mix, maar wordt niet volledig gladgestreken. En vooral belangrijk: het refrein blijft hangen.

Dat laatste wordt bij indie soms onderschat.

Je kunt de interessantste gitaarpartij ter wereld schrijven, maar als ik een kwartier later werkelijk niets meer van het liedje kan herinneren, hebben we toch een klein probleem.

Bij Butterflies blijft er iets achter.

Nog niet alles prijsgeven

Toch ga ik niet meteen roepen dat The Kowloons de nieuwe redders van de Britse indie zijn.

Rustig aan.

Het is één single.

Wat ik nu vooral hoor, is potentie.

Ik wil weten of ze op een volgend nummer durven te schuren. Of ze ook donkerder kunnen klinken. Of de gitaren nog wat vuiler mogen worden. Misschien een onverwachte tempowisseling. Een refrein dat ineens volledig openbreekt.

Kortom: ik wil ontdekken hoeveel kleuren deze band daadwerkelijk heeft.

En dat is precies waarom die uitspraak over een “new era” mij nieuwsgierig maakt.

Want als dit het begin is, wil ik nummer twee horen.

De Alternatieve Muziekman zegt

Butterflies doet eigenlijk precies wat een eerste single van een nieuwe periode moet doen.

Hij zet de deur open.

Niet meteen de complete woonkamer laten zien.

Gewoon genoeg om mij naar binnen te laten kijken.

Goede melodie.

Fijne gitaren.

Sterke ritmesectie.

Een refrein dat blijft hangen.

En vooral die heerlijke Britse indie-energie waar ik nu eenmaal buitengewoon slecht weerstand tegen kan bieden.

Is dit al een 10?

Nee.

Daarvoor wil ik The Kowloons eerst verder horen.

Maar één ding is wel gelukt:

ik ben nieuwsgierig.

En in een week waarin ik tientallen nieuwe nummers hoor, is dat al een behoorlijke overwinning.

Nieuwe era?

Prima.

Wanneer komt de volgende?

★★★★½ – 4,5 van de 5 sterren

Cijfer: 8,8/10

Gitaren: ⭐⭐⭐⭐½
Melodie: ⭐⭐⭐⭐½
Ritmesectie: ⭐⭐⭐⭐☆
Refrein: ⭐⭐⭐⭐½
UK-indiefactor: 🇬🇧🇬🇧🇬🇧🇬🇧🇬🇧
Eigen smoel: ⭐⭐⭐⭐☆
Productie: ⭐⭐⭐⭐☆
Herluisterwaarde: ⭐⭐⭐⭐½
Hitpotentie: ⭐⭐⭐⭐☆
INDIE TOP 20-potentie: 🔴🔴🔴🔴½
Smaakt-naar-meer-factor: ⭐⭐⭐⭐⭐

Butterflies is de eerste single van een nieuwe periode voor The Kowloons. Dat schept verwachtingen. Vervelend voor ze, want na deze heerlijke Britse indie-single heb ik er meteen één: meer.

https://youtu.be/xVoX_hLNQpY?si=Svlq7Trn6RVOyyAL


David Kushner – Ritual★★★★☆ – 4 van de 5 sterren



David Kushner – Ritual

Het regent op zondag. David Kushner past perfect bij het uitzicht — maar zelfs zijn verdriet is wel héél netjes geproduceerd

Het is zondag.

Het regent.

De lucht boven Nederland heeft ongeveer dezelfde kleur als een vergeten vaatdoek.

En dan verschijnt David Kushner – Ritual.

Eigenlijk perfecte timing.

Vanaf de eerste maten zet Kushner een donkere, melancholische sfeer neer. Zijn lage bariton krijgt veel ruimte en staat nadrukkelijk vooraan in de mix. Daarachter wordt het arrangement langzaam opgebouwd: eerst klein en ingetogen, vervolgens steeds meer atmosferische lagen en uiteindelijk een bredere, filmische productie.

Mooi. Absoluut.

Maar na een minuut begint bij mij iets te knagen.

Het is misschien wel té mooi.

Waar zit de wrijving?

Mijn probleem zit niet bij Kushners stem. Integendeel. Zijn donkere timbre is onmiddellijk herkenbaar en de manier waarop hij van bijna ingetogen zingen naar grotere uithalen beweegt, geeft Ritual voldoende dynamiek.

Maar luister naar wat er rondom die stem gebeurt.

Alles zit keurig op zijn plaats.

De lage tonen zorgen voor dreiging. De atmosferische klanken vullen de ruimte. De galm maakt Kushners stem groter. Wanneer de emotie moet toenemen, wordt ook het arrangement breder.

Het werkt bijna volgens een filmscript:

klein → spanning → groter → emotionele ontlading.

En precies daardoor weet ik soms al wat er gaat gebeuren voordat het gebeurt.

Ik mis een instrument dat tegen de rest ingaat.

Een gitaar die ineens schuurt.

Een drum die nét te hard binnenkomt.

Een synthesizer die een vreemde afslag neemt.

Of simpelweg een moment waarop Kushners stem niet zo perfect in het midden van de productie wordt gehouden.

Bij The National kan Matt Berninger soms bijna tegen de muziek aan zingen. Bij The Slow Show mag een arrangement ademen en ongemakkelijk stilvallen. Bij Editors kan een gitaar of synthesizer ineens een donkere scheur door een mooi liedje trekken.

Daar ontstaat spanning.

Bij Ritual worden de scherpe randjes juist zorgvuldig afgerond.

Zelfs de regen is schoon

En daardoor kom ik terug bij dat zondagse uitzicht.

Ritual klinkt als regen.

Maar wel regen gezien vanuit een prachtig hotel, achter driedubbel glas, met de verwarming op 21 graden.

Ik zie het slechte weer.

Ik voel het alleen niet helemaal.

Ook de productie is breed en sfeervol, maar sterk gecontroleerd. Er is veel galm en ruimtelijkheid, terwijl de zang opvallend helder blijft. Daardoor ontstaat een indrukwekkend contrast tussen intimiteit en grootsheid.

Technisch werkt dat uitstekend.

Emotioneel verlang ik naar iets meer modder.

Dat ene rafelige randje waardoor een opname niet alleen mooi klinkt, maar ook gevaarlijk dichtbij komt.

De Alternatieve Muziekman zegt

Begrijp me niet verkeerd:

Ritual is goed.

Kushner heeft een fantastische stem. De melodie werkt. De dynamische opbouw is effectief en op een regenachtige zondag kan deze donkere, filmische sfeer nauwelijks beter passen.

Maar mijn probleem is juist dat ik de techniek achter de emotie iets te duidelijk hoor.

Ik hoor wanneer ik geraakt moet worden.

Ik hoor wanneer het groter moet worden.

Ik hoor wanneer de spanning wordt opgebouwd.

En dan verlies ik een klein beetje van het gevoel.

Geef mij één valse plooi.

Eén smerige gitaar.

Eén onverwachte stilte.

Eén druppel regen die daadwerkelijk door het dak komt.

Dan zou Ritual van mooi naar bijzonder kunnen gaan.

Nu blijft het een prachtig geregisseerde regenbui.

★★★★☆ – 4 van de 5 sterren

Cijfer: 8,1/10

Stem/timbre: ⭐⭐⭐⭐⭐
Melodie: ⭐⭐⭐⭐☆
Dynamische opbouw: ⭐⭐⭐⭐½
Ruimtelijkheid: ⭐⭐⭐⭐½
Productie: ⭐⭐⭐⭐½
Melancholie: ⭐⭐⭐⭐½
Spanning/wrijving: ⭐⭐⭐☆☆
Rafelrand: ⭐⭐½☆☆
Originaliteit: ⭐⭐⭐½☆
Herluisterwaarde: ⭐⭐⭐⭐☆
Hitpotentie: ⭐⭐⭐⭐½
INDIE TOP 20-potentie: 🔴🔴🔴½⚪

David Kushner maakt met Ritual prachtige regenmuziek. Alleen hoor ik de regen achter driedubbel glas. Alles klinkt warm, ruimtelijk en perfect gecontroleerd. Ik wil één raam openzetten. Laat die regen maar binnenkomen.

https://youtu.be/5A108UIvpU0?si=2R_-czjFi0kvELgx